rapport 1997/580
Klacht
Inleiding; klacht en onderzoek uit eigen beweging
1. Op 20 februari 1997 was een aflevering van het VARA/NPS-programma "Zembla" gewijd aan de maatschap gynaecologie/verloskunde van het ziekenhuis Eemland te Amersfoort. In de docu-mentaire kwamen onder meer drie incidenten aan de orde die zich hadden voorgedaan bij de behandeling van patiënten op de afdeling gynaecologie/verloskunde. Een van de betrokkenen die in het programma aan het woord kwam, was de heer K. te Voorthuizen. Zijn echtgenote was in april 1994 overleden, na behandeling in het ziekenhuis Eemland.
Voorts kwam de directeur van de vereniging Provinciaal Patiënten/Consumenten Platform Utrecht (PP/CP) in het programma aan het woord. Hij adviseerde inwoners van Amersfoort en omgeving om, indien mogelijk, de afdeling gynaecologie van het ziekenhuis Eemland te mijden.
Zijdelings werd in deze documentaire ook ingegaan op de wijze waarop de Inspectie voor de Gezondheidszorg ter zake was opgetreden.
2. Bedoelde aflevering leidde tot kritische artikelen in een aantal landelijke en regionale dagbladen. Daarin werd niet alleen aandacht besteed aan de problemen binnen het ziekenhuis Eemland, maar ook aan de wijze waarop de Inspectie voor de Gezondheidszorg daarop had gereageerd. In het Rotterdams Dagblad van 21 februari 1997 verscheen een artikel met de kop: "Optreden inspectie bij ziekenhuis Eemland lamlendig". In dit artikel is onder meer het volgende gesteld:
"Hij (de directeur van het PP/CP; N.o.) heeft ook kritiek op de rol van de inspectie voor de gezondheidszorg. Die heeft het onderzoek bij Eemland vorig jaar overgelaten aan de beroepsvereniging van gynaecologen. Een beslissing die ook de Nijmeegse medisch jurist prof. Hubben niet juist acht, gezien de lange reeks klachten.
Een woordvoerster van het Ministerie van Volksgezondheid verdedigt de handelwijze van de inspectie. "De gynaecologische vakbroeders konden de problemen het beste beoordelen". Volgens haar heeft de inspectie eind vorig jaar nog een visitatie uitgevoerd. "Toen was alles in orde". Vooralsnog ziet het Ministerie in de nieuwe klachten geen aanleiding tot ingrijpen.
Volgens (de directeur van het PP/CP; N.o.) speelt mee dat de inspectie voor de gezond-heidszorg vorig jaar een andere rol heeft gekregen. Door nieuwe wetgeving is vastgelegd dat ziekenhuizen zelf meer verantwoordelijkheid hebben voor het waarborgen van de kwaliteit van de zorg. De eigen klachtencommissies spelen daarbij een hoofdrol. Een commissie heeft echter de neiging om kwesties binnenskamers te regelen, zo signaleert (bedoelde directeur; N.o.)."
3. Naar aanleiding van de documentaire werden vanuit de Tweede Kamer op 25 februari 1997 vragen gesteld aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Een van deze vragen luidde als volgt:
"...2. Klopt het dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg (een deel van) het onderzoek ter plekke in de onderhavige kwestie heeft overgelaten aan de beroepsvereniging van gynaecologen? Zo ja, hoe verhoudt zich dit met de onafhankelijkheid van de inspectie?..."
De Minister beantwoordde deze vraag in maart 1997 als volgt:
"...Naar aanleiding van de melding in de zomer van 1995 van de kant van het Informatie- en Klachtenbureau Gezondheidszorg (IKG) van het Provinciaal Patiënten/Consumenten Platform Utrecht (PP/CP Utrecht) van een grote hoeveelheid klachten over de maatschap verloskunde/gynaecologie van het Ziekenhuis Eemland en mede op grond van signalen afkomstig van de verloskundigen besloot de regionale Inspectie in het najaar van 1995 een inspectiebezoek te brengen aan de afdeling. Daarbij bleek alras dat de maatschap zelf een visitatie had aangevraagd door de beroepsgroep. Aangezien van een dergelijke visitatie een gedegen rapport verwacht mocht worden en omdat dit rapport vertrouwelijk ter kennis van de Inspectie gesteld zou worden, besloot de Inspectie voor een eerste verkenning van de feiten het visitatierapport af te wachten. De inhoud van het betreffende visitatierapport maakte derhalve deel uit van de feiten die de Inspectie heeft verzameld. Naar aanleiding van het Inspectieonderzoek heeft de IGZ (de Inspectie voor de Gezondheidszorg; N.o.) afspraken gemaakt met het ziekenhuis om een verbeteringstraject in te zetten.
In het najaar van 1996 heeft de IGZ het effect van de voorgenomen maatregelen onderzocht.
Een dergelijke werkwijze doet niet af aan de onafhankelijke positie en het onafhankelijk oordeel van de IGZ en sluit tevens aan bij het beleid van maximale en optimale zelfregulering van het veld waar het kwaliteitsborgingsprocessen betreft..."
4. Het ziekenhuis Eemland spande naar aanleiding van de uitlatingen van de directeur van het PP/CP in de Zembla-aflevering van 20 februari 1997 een kort geding aan tegen het PP/PC respectievelijk de directeur van het PP/CP. De vordering van het ziekenhuis strekte ertoe het PP/CP en de directeur daarvan te gelasten zich te onthouden van onrechtmatige uitlatingen over de afdeling gynaecologie/verloskunde van ziekenhuis Eemland, en hen te gelasten om in een regionaal en in een landelijk dagblad een rectificatie te plaatsen waarin de negatieve uitlatingen in bedoelde Zembla-aflevering zouden worden teruggenomen als onjuist en onzorgvuldig.
Bij vonnis van 1 april 1997 wees de president van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht de vordering van het ziekenhuis af. In zijn vonnis overwoog de president van de rechtbank onder meer het volgende:
"In ieder geval is aannemelijk geworden dat zich in het verleden grote problemen hebben voorgedaan en dat er thans nog steeds niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat er afdoende maatregelen zijn getroffen, die herhaling van de problemen in de toekomst zullen voorkomen."
Voor een meer uitvoerige weergave van relevante passages uit dit vonnis wordt verwezen naar achtergrond, onder 9.
5. Op 4 april 1997 richtte mevrouw B. te Voorthuizen, dochter van de hiervoor genoemde heer K. zich tot de Nationale ombudsman met het verzoek om een onderzoek in te stellen naar de handelwijze van de Inspecteur voor de Gezondheidszorg voor Utrecht en Flevoland. Als bijlagen bij haar verzoekschrift stuurde zij kopieën mee van de correspondentie die in 1994 en 1995 was gevoerd in het kader van de behandeling van een door haar vader bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg ingediende klacht over de wijze waarop zijn echtgenote in 1994 in het ziekenhuis Eemland was behandeld door twee leden van de maatschap gynaecologie/verloskunde.
6. De Nationale ombudsman heeft besloten de klacht van verzoekster in onderzoek te nemen. In verband met de berichten die naar aanleiding van de aflevering van Zembla in de media zijn verschenen, heeft de Nationale ombudsman tevens besloten om zijn onderzoek, met gebruikmaking van de bevoegdheid ex artikel 15 van de Wet Nationale ombudsman (onderzoek uit eigen beweging), uit te breiden.
DE ONDERZOCHTE GEDRAGINGEN
In het kader van het onderzoek werd de klacht van verzoekster als volgt geformuleerd:
Verzoekster klaagt over de wijze waarop de Inspecteur voor de Gezondheidszorg voor Utrecht en Flevoland heeft gereageerd op de door haar vader bij hem ingediende klacht over de wijze waarop haar moeder in 1994 is behandeld door leden van de maatschap gynaecologie van het ziekenhuis Eemland te Amersfoort en over de wijze waarop de klachtencommissie van dat ziekenhuis die klacht heeft afgedaan.
In het bijzonder klaagt zij erover dat de inspecteur niet een eigen onderzoek heeft ingesteld, maar in plaats daarvan slechts heeft geadviseerd een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege.
Voorts klaagt zij erover dat de inspecteur niet is ingegaan op het verzoek aan hem om zelf een klacht in te dienen bij het medisch tuchtcollege, danwel om haar vader bij te staan in de door hem, op advies van de inspecteur, bij het medisch tuchtcollege aangespannen procedures.
De te onderzoeken gedraging in het kader van het onderzoek uit eigen beweging werd als volgt geformuleerd:
De wijze waarop de Inspectie voor de Gezondheidszorg voor Utrecht en Flevoland naar aanleiding van signalen over tekortschieten van de zorg door de maatschap gynaecologie van het ziekenhuis Eemland te Amersfoort invulling heeft gegeven aan haar verantwoordelijkheid als toezichthoudster op het terrein van de gezondheidszorg.
Dit onderzoek uit eigen beweging heeft betrekking op de periode vanaf 1994.
