rapport 2001/051
Klacht
Op 3 juli 2000 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van de heer P. te Hoofddorp, met een klacht over een gedraging van de officier van justitie te Utrecht.
De Nationale ombudsman nam naar aanleiding van deze klacht op 10 juli 2000 telefonisch contact op met het arrondissementsparket te Utrecht, met de vraag of er een oplossing voor de klacht in het vooruitzicht kon worden gesteld. Een medewerker van het arrondissementsparket liet de Nationale ombudsman bij faxbericht van 12 juli 2000 weten dat verzoeker per gelijke post inhoudelijk was bericht over zijn klacht. Verzoeker wendde zich op 13 juli 2000 bij faxbericht echter opnieuw tot de Nationale ombudsman, met het verzoek een onderzoek in te stellen naar zijn klacht. Hij stelde zich op het standpunt dat de brief van 12 juli 2000 geen bevredigende afdoening voor zijn klacht vormde. Naar de gedraging van de officier van justitie te Utrecht, die wordt aangemerkt als een gedraging van de Minister van Justitie, werd vervolgens een onderzoek ingesteld.
Op grond van de door verzoeker verstrekte gegevens werd de klacht als volgt geformuleerd:
Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat de officier van justitie te Utrecht in juni 2000 heeft nagelaten alle stukken aan hem door te zenden die door het "Amtsgericht" te Mönchengladbach, Duitsland, op grond van het Haags Betekeningsverdrag 1965 aan de officier van justitie waren gestuurd, na betekening op een adres te Mönchengladbach.
